woensdag 6 maart 2013

Het muntje


In de zomervakantie van ’99 heb ik een van mijn beste vrienden ontmoet.

Mijn ouders hadden mij meegenomen naar Indonesië, en mijn oma, opa, neef, nicht en zus waren ook mee.
Als ik denk aan het voorwerp, denk ik ook aan de vlucht, op de heenweg, vanuit Schiphol, Amsterdam naar de luchthaven van Maleisië, waar wij een overstap moesten maken. Ik heb me de hele reis vermaakt met een kleurplaat van een grote boom, met een maan en een mooi landhuis op de achtergrond. Ik had maar drie kleuren potlood bij me, en het leek me niet leuk om de boom slechts èèn kleur te geven, en ik weet nog goed dat ik er de hele vlucht over heb gedaan om de boom in te kleuren, streepje voor streepje deed ik dat, en elk streepje was niet langer dan een halve centimeter. Ik liet mijn potlood vallen tijdens de vlucht, en ik bukte om hem op te rapen. Ik zag een muntje van 5 cent liggen, een stuiver. Ik dacht aan wat mijn moeder en veel andere mensen tegen mij zeiden; Ik had een geluksmuntje gevonden. Ik zei niks en stopte de stuiver in mn broekzak, wel die broekzak met de rits, want ik was bang dat ik mijn geluksmuntje zou kwijtraken, net als de vorige eigenaar.

Ik heb veel mooie natuurverschijnselen gezien tijdens mijn vakantie in Indonesië. Zo ook mijn vriend Putu. Putu was tijdens de vier weken dat wij in Indonesië waren onze gids. Hij leidde ons naar prachtige plaatsen, wisselend van sawa’s tot mooie bounty-eilandjes, en dat vier weken lang. Ik heb me bijna elke dag van die vakantie goed vermaakt. Dat kwam niet allèèn door het prachtige land, het prachtige land was slechts een bijzaak voor mij. Het veilige thuisgevoel en vertrouwen werd mij gegeven door Putu, die bijna elke dag bij ons te vinden was. Hij bracht ons dan naar een mooie plek, met zijn witte Toyota bus, en genoot met ons, en vooral met mij, dat was tenminste wat ik er uit opmaakte; Ik sprak geen woord Indonesisch, maar ook had ik het niveau Engels van een 4-jarige kleuter.

Hoewel Putu en ik elkaar niet konden verstaan, kon ik hem toch als familielid beschouwen, het was alsof hij mijn neef of oom was, waarmee ik kon lachen en plezier maken, maar aan het eind van de vakantie ook mee kon huilen. Ik vond het namelijk helemaal niks om Putu achter te laten, zo zag ik het namelijk, in Indonesië. Mijn vader legde me toen uit dat Putu, net als papa, ook voor zijn eigen gezin moest zorgen, voor zijn vrouw en kind, die twee jaar oud werd op de dag van ons vertrek uit Indonsië, en dat Putu ons niet zomaar zou vergeten.

Ik geloofde best dat hij ons niet zou vergeten, maar toch wilde ik dat zeker maken. Nadat Putu ons naar de luchthaven gebracht had, gingen we langzaam afscheid nehmen van elkaar. Ik zat op mijn koffertje, en iedereen keek me verbaasd aan toen ik op het vliegveld mijn spullen overhoop haalde. Dat deed me niks, dat ik het kleinste jongetje was die niet begrepen werd. Ik zocht het muntje in mn broekzak, in de broek die in het koffertje zat. Ik gaf mijn geluksmuntje aan Putu, en niemand hoefde er iets bij te zeggen of vertalen voor hem. Ik gaf mijn geluksmunt aan hem, met de hoop dat hij, net als mij, in de toekomst het geluk zou krijgen wat ik die vakantie gekregen had.

De munt ligt nu in mijn oude tuin begraven. Hij is teruggestuurd naar mij door Dayu, Putu’s vrouw. Putu is nu al 9 jaar geleden overleden aan malaria. Hij had niet genoeg geld voor een operatie, en durfde de rekening van mijn opa en oma, voor in geval van nood, niet te gebruiken. Dat zegt maar weer is wat voor een man Putu was.

Ik heb de munt begraven omdat hij dan voor mij bijzonder blijft. Als ik de munt in mijn kamer zou hebben, zou ik de munt elke dag zien, en dan wordt het naar mijn gevoel minder speciaal. Nu ligt de munt begraven, en er zijn nog steeds momenten waarop ik terug kijk op een hele mooie vriend. Ik hoop dat iemand ooit de munt vind, en dat hij ook goed werkt als geluksmunt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten